| Leerresultaten | De opleiding bachelor in de Biomedische laboratoriumtechnologie beoogt het vormen van deskundigen op het vlak van laboratoriumonderzoek in de biomedische sfeer, op het niveau van de professioneel gerichte bachelor, zoals omschreven in art. 58 van het decreet betreffende de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen.
De opleiding organiseert twee afstudeerrichtingen: Medische laboratoriumtechnologie en Farmaceutische en biologische laboratoriumtechnologie.
De medisch laboratoriumtechnoloog verricht voornamelijk bepaalde technische onderzoeken die bijdragen tot het stellen van een diagnose, die het verloop van een behandeling controleren of die passen in de preventieve geneeskunde. De afgestudeerden van de afstudeerrichting Medische laboratoriumtechnologie voldoen aan de voorschriften van het KB van 2/6/1993 en kunnen bijgevolg worden erkend als beoefenaars van het paramedisch beroep van medisch laboratoriumtechnoloog.
De farmaceutisch laboratoriumtechnoloog functioneert hoofdzakelijk als medewerker aan biotechnologisch en farmacologisch onderzoek in een moleculair-biologisch onderzoekscentrum, een biomedisch laboratorium, in het farmaceutisch onderzoek of binnen de farmaceutische kwaliteitscontrole. De afgestudeerden van de afstudeerrichting farmaceutische en biologische laboratoriumtechnologie voldoen aan de wettelijke vereisten die toegang verschaffen tot het beroep van apothekersassistent.
Competenties
De bachelor (m/v) in biomedische laboratoriumtechnologie kan volwaardig en zelfstandig functioneren op het niveau van een beginnende beroepsbeoefenaar en bezit volgende competenties:
Algemene competenties:
- Denk- en redeneervaardigheid: De afgestudeerde kan zelfstandig een kwaliteitsvolle redenering opbouwen.
- Informatie verwerven en verwerken: De afgestudeerde kan informatie terugvinden en opzoeken, kan informatie analyseren, kan in bronnen het belang van informatie-elementen bepalen en synthetiseren en kan informatie verwerken zodat ze voor eigen toekomstig gebruik beschikbaar is.
- Kritisch reflecteren: De afgestudeerde kan het eigen functioneren evalueren, er positieve en negatieve kanten in identificeren en leerpunten formuleren. De kritische reflectie impliceert een constructieve redenering die tot het bijsturen van het handelen kan leiden. De afgestudeerde kan de praktische grenzen van inzichten en gebruiken vatten en is bereid om alternatieve werkwijzen in overweging te nemen.
- Projectmatig en methodisch handelen in functie van creatieve kennisontwikkeling: De afgestudeerde kan een voor hem nieuw (niet eerder behandeld) probleem analyseren, het relateren aan reeds gekende en opgeloste problemen of een creatieve oplossing genereren. Bij eventuele moeilijkheden wordt gericht naar hulp gevraagd.
- Leiding geven: De afgestudeerde kan een werkplanning opmaken, een vergadering leiden en doelgericht werken bij anderen bevorderen.
- Beschikken over het vermogen tot communiceren van informatie, ideeën, problemen en oplossingen, zowel aan specialisten als aan leken: De afgestudeerde kan schriftelijk en mondeling de eigen aanpak verantwoorden. De afgestudeerde kan op een eenvoudige wijze de basisprincipes of de gevolgde werkmethode toelichten zowel schriftelijk als mondeling.
- Een ingesteldheid tot levenslang leren: De afgestudeerde kan op basis van een kritische reflectie op het eigen functioneren leerpunten identificeren en op zoek gaan naar wegen om de vastgestelde punten weg te werken. De afgestudeerde is bereid om de eigen competenties door zelfstudie en deskundigheidsontwikkeling te verdiepen of te verbreden.
Algemene beroepsgerichte competenties:
- Teamgericht kunnen werken: De afgestudeerde kan in een internationaal, multicultureel en/of multidisciplinair team een eigen constructieve inbreng hebben en kan met respect voor de inbreng van de anderen in het team constructieve oplossingen voorstellen.
- Oplossingsgericht kunnen werken: De afgestudeerde kan een breed gamma aan concrete beroepsspecifieke problemen oplossen. De afgestudeerde analyseert hierbij methodisch de situatie en integreert (desgevallend interdisciplinair) inzichten om tot een passende oplossing te komen.
- Besef hebben van maatschappelijke verantwoordelijkheid samenhangend met de beroepspraktijk: De afgestudeerde kan, geconfronteerd met een ethische, normatieve of maatschappelijke vraag, een beredeneerd standpunt innemen. De afgestudeerde is aantoonbaar gevoelig voor het bestaan van ethische, normatieve en maatschappelijke vragen in concrete beroepssituaties.
Beroepsspecifieke competenties:
- Benutten van voldoende wetenschappelijke basiskennis, een goede laboratoriumvaardigheid en een goede kennis van de essentiële medische vakken in beroepsspecifieke situaties: De afgestudeerde kan de experimentele werkzaamheden in een medisch laboratorium zelfstandig op een technisch-wetenschappelijk verantwoorde, veilige en kritische manier uitvoeren. De afgestudeerde kent de grondslagen en achtergronden van de gebruikte technieken. De afgestudeerde is in staat de onderzoeken correct uit te voeren en te evalueren. De afgestudeerde kan de relevantie van de gegevens van een technisch of wetenschappelijk vakprobleem onderkennen en kan daardoor storingen en afwijkingen tijdig waarnemen en rapporteren De afgestudeerde heeft kennis van de specifieke veiligheids-, milieutechnische en hygiënische aspecten van het werken in een medisch laboratorium en kan deze in de praktijk toepassen. De afgestudeerde is in staat te werken binnen een georganiseerd kwaliteitssysteem en kan meewerken aan de realisatie en het onderhoud ervan. De afgestudeerde kan handelen volgens doel, beleid en organisatie van het biomedisch laboratorium. De afgestudeerde begrijpt de klinische betekenis en het verband tussen de verschillende parameters van de door hem uitgevoerde onderzoeken (MLT).
- Beschikken over organisatievermogen en een degelijke manier van werken: De afgestudeerde kan de diverse routinematige laboratoriumwerkzaamheden degelijk plannen en binnen een redelijk tijdsbestek uitvoeren. De afgestudeerde is in staat om nauwkeurig, betrouwbaar, kritisch, systematisch en efficiënt te werken, zelfs onder grote werkdruk. De afgestudeerde kent de grenzen van zijn competentie en kan de betrouwbaarheid van resultaten onderkennen en zonodig de gepaste stappen ondernemen.
- Beschikken over voldoende kennis van informatica, automatisering en statistiek: De afgestudeerde heeft voldoende basiskennis van de mogelijkheden van de in de werkomgeving gebruikelijke programma‘s en automaten om zich op korte termijn in te werken. De afgestudeerde kan op een statistisch correcte manieronderzoeksresultaten en/of meetgegevens verwerken. De afgestudeerde kan op een wetenschappelijk verantwoorde wijze meewerken aan een methodevalidatie.
- Beschikken over het vermogen om problemen vast te stellen en te rapporteren: De afgestudeerde kan daar waar het mogelijk is problemen die ontstaan bij de pre-analytische, de analytische en de postanalytische fase vaststellen, ze signaleren en eventueel een bijdrage leveren tot de oplossing ervan. (FBT)
- Beschikken over kennis van de eigenschappen van te onderzoeken materiaal in medische laboratoria: De afgestudeerde kan aanvrager en patiënt informeren omtrent de juiste wijze van monsterafname en verzending. (MLT) De afgestudeerde gaat op een juiste manier om met de stalen, is in staat om patiënt-materiaal voor onderzoek op correcte wijze af te nemen of erbij te assisteren, juist te identificeren en te verwerken. (MLT) De afgestudeerde is op de hoogte van de belangrijke pre-analytische factoren. (MLT). |
|---|