| Algemene informatie | |
|---|---|
Graad en kwalificatie ![]() |
Specifieke Lerarenopleiding in de beeldende kunsten |
Academiejaar
|
2010 - 2011 |
| Soort opleiding | Specifieke lerarenopleiding |
Studieomvang ![]() | 60 studiepunten |
Onderwijsta(a)l(en) ![]() | Nederlands |
Studiegebied(en) ![]() |
|
Instelling ![]() | Artesis Hogeschool Antwerpen (Artesis) |
| Opleidingslocatie(s) | Antwerpen |
| Extra informatie | |
|---|---|
Graad en kwalificatie ![]() |
Specifieke Lerarenopleiding in de beeldende kunsten |
Instelling ![]() | Artesis Hogeschool Antwerpen (Artesis) |
| Website opleiding | http://www.artesis.be |
| Doelstelling | |
|---|---|
Graad en kwalificatie ![]() |
Specifieke Lerarenopleiding in de beeldende kunsten |
Instelling ![]() | Artesis Hogeschool Antwerpen |
| Leerresultaten | Algemene doelstellingen De student verwerft binnen de lerarenopleiding didactische en pedagogische competenties. De student verfijnt zijn communicatieve en reflectieve vermogens vanuit leraarsperspectief. De student kan de artistieke en vaktechnische competenties aanwenden in de pedagogisch-didactische praktijk. Vakoverschrijdende competenties: Functioneel geheel 1: De leraar als begeleider van leer- en ontwikkelingsprocessen Kennis en vaardigheden: 1. De studenten kunnen de beginsituatie van de lerende en de leerlingengroep achterhalen. De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van de lerende en de kenmerken van de groep en de werkwijzen om die te achterhalen. 2. De studenten kunnen doelstellingen kiezen en formuleren. 2.1. doelstellingen kiezen op basis van de leerplannen 2.2. doelstellingen kiezen en formuleren, rekening houdend met de beginsituatie van de leerlingen en met de kenmerken en de diversiteit van de groep; 2.3. doelstellingen differentiëren afhankelijk van de doelgroep, het niveau en de agogische context 2.4. doelstellingen concreet en operationeel formuleren, waar mogelijk, voor artistiek creatieve doelen gebruik maken van open/halfopen doelstellingen. De ondersteunende kennis omvat de krachtlijnen van het betrokken leerplan, evenals de techniek van formulering van doelstellingen. 3. De studenten kunnen de leerinhouden selecteren afhankelijk van de doelgroep, het niveau en de agogische context. De ondersteunende kennis omvat de krachtlijnen van een geselecteerd leerplan en geschikte informatiebronnen over de leerinhouden. 4. De studenten kunnen leerinhouden/leerervaringen structureren in een artistiek creatieve context en vertalen in een onderwijsaanbod, aangepast aan de doelgroep, het niveau en de agogische context. De ondersteunende kennis omvat vakspecifiek metier. 5. De studenten kunnen een aangepaste methodische aanpak/werkvorm en groeperingsvorm bepalen. De ondersteunende kennis omvat diverse werkvormen en combinaties daarvan, rekening houdend met een gedifferentieerde aanpak in functie van de mogelijkheden en beperkingen van de doelgroep. 6. De studenten kunnen individueel en in team leermiddelen kiezen en aanpassen. De ondersteunende kennis omvat relevante bronnen om leermiddelen/¬ontwikkelingsmaterialen te vinden evenals criteria om ze te beoordelen. 7. De studenten kunnen een krachtige leeromgeving realiseren. De ondersteunende kennis omvat de kennis van leerprocessen en de kenmerken van een adequate creatief, artistieke leeromgeving. 8.De studenten kunnen de observatie/evaluatie voorbereiden. De ondersteunende kennis omvat evaluatievormen, -technieken en -instrumenten, en een visie op evaluatie als ondersteuning voor het leerproces. 9. De studenten kunnen observeren en proces en product evalueren. De ondersteunende kennis omvat observatie/evaluatietechnieken en -instrumenten, visie op observatie/evaluatie in functie van bijsturing en remediëring in de kunstpraktijk. Functioneel geheel 2: De leraar als opvoeder Kennis en vaardigheden: 1. De studenten kunnen in overleg een positief leerklimaat creëren voor de lerenden met ruimte voor eigen expressie, aandacht voor de beleving en exploratie van de creatieve mogelijkheden, individueel en in groepsverband. De ondersteunende kennis omvat groepsdynamische en interactieprocessen voor sociale, artistieke en creatieve vaardigheden. 2. De studenten kunnen de emancipatie van de lerende bevorderen. De ondersteunende kennis omvat diverse leef- en kinderen/jongerenculturen binnen de artistieke context en cultuurverschillen tussen verschillende sociale groepen. 3. De studenten kunnen door attitudevorming lerenden op individuele/artistieke ontplooiing en artistiek/maatschappelijke participatie voorbereiden. De ondersteunende kennis omvat het pedagogisch project, de van toepassing zijnde ontwikkelingsdoelen en de verschijningsvormen van het verborgen curriculum. 4. De studenten kunnen actuele artistieke ontwikkelingen hanteren in een pedagogische context. De ondersteunende kennis omvat informatie over artistieke ontwikkelingen in verband met het vakgebied. 5. De studenten kunnen adequaat omgaan met lerenden in sociaal-emotionele probleemsituaties en met lerenden met gedragsmoeilijkheden. De ondersteunende kennis omvat diverse vormen van sociaal-emotionele probleemsituaties, signalen en ontstaan van probleemgedrag. 6. De studenten kunnen het fysieke en geestelijke welzijn van de lerenden bevorderen. De ondersteunende kennis: de studenten hebben inzicht in de technische en fysieke belastingsgraad van het aangeboden leermateriaal. De studenten hebben kennis van criteria voor het bepalen van een veilig aanvaardende, ondersteunende leeromgeving. Functioneel geheel 3: De leraar als inhoudelijk expert Kennis en vaardigheden: 1. De studenten beheersen de basiskennis en recente evoluties in verband met inhouden en vaardigheden uit ontwikkelingsgebieden/leergebieden/vakgebieden. De ondersteunende kennis omvat de inhoudelijke opbouw en samenhang van het ontwikkelings-, leer- of vakgebied en kennis van de mogelijkheden tot permanente vorming. 2. De studenten kunnen de verworven kennis en vaardigheid aanwenden in de pedagogisch-didactische praktijk. 3. De studenten kunnen het eigen vormingsaanbod situeren in een artistieke context. De ondersteunende kennis omvat verwantschappen tussen eigen en andere artistieke vormings/leergebieden. Functioneel geheel 4: De leraar als organisator Kennis en vaardigheden: 1. De studenten kunnen een gestructureerd werkklimaat bevorderen. De ondersteunende kennis omvat kennis van klasmanagement en leerbelemmerende en -bevorderende factoren. 2. De studenten kunnen een soepel en efficiënt les- en/of dagverloop creëren, passend in een tijdsplanning. De ondersteunende kennis omvat diverse hulpmiddelen voor tijdsmanagement. 3. De studenten kunnen op een correcte manier administratieve taken uitvoeren. De ondersteunende kennis omvat de administratieve taken van de leraar. 4. De studenten kunnen een stimulerende, veilige en werkbare klasruimte creëren. De ondersteunende kennis omvat de kenmerken van stimulerende en veilige speel- of leer- of werkvoorzieningen in een lokaal. Functioneel geheel 5: De leraar als innovator - de leraar als onderzoeker Kennis en vaardigheden: 1. De studenten kunnen vernieuwende elementen aanwenden en aanbrengen. De ondersteunende kennis omvat kenmerken van artistieke praxis, relevante informatiebronnen met betrekking tot ontwikkelingen over onderwijs, kunst en cultuur en samenleving. 2. De studenten kunnen kennisnemen van toegankelijke resultaten van onderwijsonderzoek relevant voor de eigen praktijk. De ondersteunende kennis omvat relevante en toegankelijke informatiebronnen van onderwijsonderzoek. 3. De studenten kunnen het eigen functioneren bevragen en bijsturen. De ondersteunende kennis omvat vormen van reflectie op het eigen onderwijsgedrag en de kenmerken van een eenvoudig praktijkgericht onderzoek. Functioneel geheel 6: De leraar als partner van ouders/verzorgers Kennis en vaardigheden: 1. De studenten kunnen zich op de hoogte stellen van en discreet omgaan met gegevens over de lerende. De ondersteunende kennis omvat elementen van deontologie in verband met gegevens over de lerende. 2. De studenten kunnen met ouders/verzorgers communiceren over hun kind in de school. De ondersteunende kennis omvat kennis van interne en externe begeleidingsdiensten en van externe hulpverleningsinstanties. 3. De studenten kunnen in overleg met het team communiceren met de ouders/verzorgers over het klas- en schoolgebeuren, rekening houdend met de diversiteit tussen de ouders. De ondersteunende kennis omvat kennis van de diversiteit van sociale en culturele realiteiten van ouders/verzorgers. 4. De studenten kunnen met ouders/verzorgers in dialoog treden over opvoeding en kunstonderwijs. De ondersteunende kennis omvat referentiekaders om onderwijskundige thema's en ontwikkelingen te duiden. Functioneel geheel 7: De leraar als lid van een schoolteam Kennis en vaardigheden: 1.De studenten kunnen overleggen en samenwerken binnen het schoolteam. De ondersteunende kennis omvat samenwerkingsverbanden binnen de school, decretale participatiestructuren, overlegorganen en hun bevoegdheden en kennis over de schoolcultuur. Ondersteunende kennis omvat eveneens instrumenten inzake schoolbeleid. 2. De studenten kunnen binnen het team over een taakverdeling overleggen en deze na leven. De ondersteunende kennis omvat kennis van functies en taken binnen een school. 3. De studenten kunnen de eigen pedagogische en didactische opdracht en aanpak in team bespreekbaar maken. De ondersteunende kennis omvat diverse vormen van leerkrachtbegeleiding. Functioneel geheel 8: De leraar als partner van externen Kennis en vaardigheden: 1. De studenten kunnen contacten leggen, communiceren en samenwerken met externe instanties die onderwijsbetrokken initiatieven aanbieden. De ondersteunende kennis omvat zoekmethoden om in de betrokken regio actieve instanties en initiatieven op te sporen. Functioneel geheel 9: De leraar als lid van de onderwijsgemeenschap Kennis en vaardigheden: 1. Deelnemen aan het maatschappelijk debat over onderwijskundige thema's. De ondersteunende kennis omvat recente ontwikkelingen in onderwijs en referentiekaders om ontwikkelingen in onderwijs te duiden. 2. De studenten kunnen dialogeren over het beroep van de leraar en de plaats ervan in de samenleving. De ondersteunende kennis betreft referentiekaders om het lerarenberoep maatschappelijk te kunnen situeren en de eigen basiscompetenties en beroepsprofiel. Functioneel geheel 10: De leraar als cultuurparticipant Kennis en vaardigheden: 1. De studenten kunnen actuele maatschappelijke thema's en ontwikkelingen identificeren, kritisch benaderen en implementeren in de kunstpraktijk. De ondersteunende kennis omvat relevante informatiebronnen. Attitudes Volgende attitudes gelden voor alle functionele gehelen: 1. beslissingsvermogen: durven een standpunt in te nemen of tot een handeling over te gaan, en er ook verantwoordelijkheid voor opnemen 2. relationele gerichtheid: in zijn contact met anderen kenmerken van echtheid, aanvaarding, empathie en respect tonen 3. kritische ingesteldheid: bereid zijn zichzelf en zijn omgeving in vraag te stellen, de waarde van een bewering of een feit, de wenselijkheid en haalbaarheid van een vooropgesteld doel te verifiëren, alvorens een stelling in te nemen 4. leergierigheid: actief zoeken naar situaties om zijn competentie te verbreden en te verdiepen 5. organisatievermogen: erop gericht zijn de taken zodanig te plannen, te coördineren en te delegeren, dat het beoogde doel op een efficiënte manier bereikt kan worden. 6. zin voor samenwerking: bereid zijn om gemeenschappelijk aan eenzelfde taak te werken. 7. verantwoordelijkheidszin: zich verantwoordelijk voelen voor de school als geheel en zich engageren om een positieve ontwikkeling van de lerende te bevorderen. 8. creatieve gerichtheid: erop gericht zijn om uit diverse situaties en informatiebronnen ideeën te genereren en deze op een originele manier gestalte te geven in een ontwikkelingsaanbod voor de lerende. 9. flexibiliteit: bereid zijn zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, o.m. middelen, doelen, mensen en procedures 10. gerichtheid op adequaat en correct taalgebruik en communicatie: in de mondelinge en schriftelijke communicatie met lerenden, ouders, leden van het schoolteam en externen, erop gericht zijn een adequaat en correct taalgebruik te hanteren en aandacht te hebben voor het belang van non-verbale communicatie. |
| Toelatingsvoorwaarden | |
|---|---|
Graad en kwalificatie ![]() |
Specifieke Lerarenopleiding in de beeldende kunsten |
Instelling ![]() | Artesis Hogeschool Antwerpen |
| Rechtstreekse toegang | Vanuit deze instelling binnen ander studiegebiedVanuit andere instellingen binnen ander studiegebied |
| Andere toelatingsvoorwaarden | Voor de specifieke lerarenopleiding beeldende kunst geldt als minimale toelatingsvoorwaarde het bezit van een academisch bachelordiploma in de desbetreffende opleiding van het studiegebied Audiovisuele en Beeldende Kunst |
| Doorstroommogelijkheden | |
|---|---|
Graad en kwalificatie ![]() |
Specifieke Lerarenopleiding in de beeldende kunsten |
Instelling ![]() | Artesis Hogeschool Antwerpen |
| Rechtstreekse doorstroom | Vanuit andere instellingen binnen zelfde studiegebied |
| Accreditatie | |
|---|---|
Graad en kwalificatie ![]() |
Specifieke Lerarenopleiding in de beeldende kunsten |
Instelling ![]() | Artesis Hogeschool Antwerpen |
| Terug naar zoekresultaten | E-mail Print Bewaren |
|---|